adjective
heet, erg heet
A2
heiß is een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘heet’ of ‘warm’. Het is te vergelijken: heißer, am heißesten. Het wordt attributief en predicatief gebruikt: die heiße Suppe, Die Suppe ist heiß. Tegenstellingen: kalt, kühl. Spelling met ß.
Voorbeelden
Heute ist es draußen sehr heiß.
Het is vandaag erg heet buiten.
Die Suppe war heiß, obwohl die Köchin sie kurz zuvor hatte abkühlen lassen.
De soep was heet, hoewel de kok haar kort daarvoor had laten afkoelen.
Der Kaffee ist zu heiß zum Trinken.
De koffie is te heet om te drinken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kopje voor met 'heiß' erop en opstijgende stoom.
heiß klinkt als 'hice' — stel je iets stomends voor.
Opmerkingen
Vergrotende trap: heißer; overtreffende trap: am heißesten. Ook figuurlijk gebruikt (bijv. een 'heet' onderwerp).