adjective
zuur, boos, chagrijnig
A2
Bijvoeglijk naamwoord met twee hoofdbetekenissen: ‘zuur’ van smaak en informeel ‘boos’ of ‘geïrriteerd’. Vergelijking: saurer, am sauersten. In de betekenis ‘boos’ vaak met auf: sauer auf jemanden sein. Tegenovergestelde: süß.
Voorbeelden
Die Zitrone schmeckt sehr sauer.
De citroen smaakt erg zuur.
Die Kunden waren sauer, weil das bestellte Essen nicht pünktlich geliefert wurde.
De klanten waren boos omdat het bestelde eten niet op tijd werd geleverd.
Er ist sauer, weil das Spiel verloren wurde.
Hij is boos omdat de wedstrijd verloren is.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een citroen voor (zuur) die iemand boos doet fronsen.
klinkt als het Engelse ‘sour’ — dezelfde betekenis voor smaak.
Opmerkingen
Wordt zowel gebruikt voor smaak (zuur) als informeel voor iemand die geïrriteerd of van streek is.