adjective
warm
A2
warm is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis „warm” in letterlijke zin, en soms „hartelijk” of „warm” figuurlijk. Het is trapbaar: wärmer, am wärmsten. Je gebruikt het attributief en predicatief, bv. ein warmes Zimmer. Tegenstellingen: kalt, kühl.
Voorbeelden
Die Suppe blieb warm, obwohl das Wetter draußen kalt war und die Gäste sich länger aufhielten.
De soep bleef warm, hoewel het buiten koud was en de gasten langer bleven.
Heute ist das Wetter schön und warm.
Het is vandaag mooi en warm weer.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je zonlicht voor dat je handen verwarmt.
Denk aan „warm” zoals in het Engels — dezelfde betekenis.
Opmerkingen
Wordt gebruikt voor temperatuur en figuurlijk voor een warme sfeer.