verb
trouwen
A1
heiraten is een regelmatig werkwoord met de betekenis ‘trouwen’ of ‘met iemand trouwen’. Hulpwerkwoord: haben; voltooid deelwoord: geheiratet. Het is niet wederkerig: jemanden heiraten betekent ‘met iemand trouwen’ (accusatief), maar ook wir heiraten is mogelijk. Veelgebruikt.
Voorbeelden
Bevor das Paar heiratete, sprachen die Eltern miteinander, damit die Feier ruhig organisiert werden konnte.
Voordat het paar trouwde, spraken de ouders met elkaar, zodat het feest rustig georganiseerd kon worden.
Mein Bruder hat letztes Jahr geheiratet.
Mijn broer is vorig jaar getrouwd.
Sie heiratete ihren Jugendfreund.
Ze trouwde met haar jeugdvriend.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je twee mensen voor die ringen uitwisselen op een bruiloft wanneer je «heiraten» hoort.
Denk aan ‘hire-atten’ — stel je voor dat je een partner inhuurt (gek maar onthoudbaar).
Opmerkingen
Regelmatig (zwak) werkwoord met de betekenis trouwen. Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in de voltooide tijden.