verb
gebruiken, aanwenden
B1
verwenden betekent ‘gebruiken’ of ‘toepassen’, vooral bij hulpmiddelen, methoden of woorden. Het is een zwak, regelmatig en niet-scheidbaar werkwoord; het perfectum vormt het met haben: verwendet. Het is transitief en krijgt een lijdend voorwerp in de accusatief. Iets formeler dan benutzen.
Voorbeelden
Ich verwende dieses Werkzeug.
Ik gebruik dit gereedschap.
Das Labor verwendete das neue Material, obwohl die Langzeitdaten noch fehlten.
Het laboratorium gebruikte het nieuwe materiaal, hoewel de langetermijngegevens nog ontbraken.
Ich habe das Programm verwendet.
Ik heb het programma gebruikt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een gereedschap in je hand neemt en het gebruikt — «verwenden» = gebruiken.
ver-WEND-en — denk aan «wend» als «je weg banen» om iets te gebruiken.
Opmerkingen
Veelvoorkomend transitief werkwoord: vaak gebruikt met objecten (etwas verwenden). Niet scheidbaar ondanks het voorvoegsel «ver-».