verb
gebruiken, benutten
B1
nutzen is een regelmatig zwak werkwoord en betekent ‘gebruiken’, ‘aanwenden’ of ‘profiteren van’. Voltooid deelwoord: genutzt; hulpwerkwoord: haben. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Je gebruikt het voor concrete én abstracte situaties, bv. etwas nutzen.
Voorbeelden
Ich habe die Zeit gut genutzt.
Ik heb de tijd goed benut.
Er nutzte die Chance.
Hij greep de kans.
Ich nutze die Gelegenheit.
Ik grijp de gelegenheid aan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een Zwitsers zakmes met het label ‘NUTZEN’ gebruikt om allerlei taken te doen.
klinkt als Engels ‘nuts in’ — stel je voor dat je noten ergens in doet om het te gebruiken.
Opmerkingen
Algemeen werkwoord met de betekenis ‘gebruiken’ of ‘gebruikmaken van’. Vaak gevolgd door een object (etwas nutzen).