noun
verwant, familielid, verwanten
A1
Verwandte betekent ‘verwant’ of ‘familielid’. De basisvorm is der Verwandte, maar het woord kan naar een man of vrouw verwijzen; meervoud: die Verwandten. Het is een n-declinatiewoord (zwak): den Verwandten, dem Verwandten, des Verwandten.
Voorbeelden
Viele Verwandte kamen zur Feier.
Veel familieleden kwamen naar het feest.
An Weihnachten besuchen wir unsere Verwandten.
Met Kerstmis bezoeken we onze familieleden.
Die Familie besuchte die Verwandten, weil die Großmutter Geburtstag feierte.
De familie bezocht de verwanten omdat de grootmoeder haar verjaardag vierde.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een stamboom voor met het label ‘Verwandte’.
Klinkt als ‘ver-wanted’ — denk aan familieleden die gewenst zijn op familiefeesten.
die — meestal gebruikt als ‘die Verwandten’ (de verwanten); enkelvoud kan ‘der Verwandte’ of ‘die Verwandte’ zijn.
Opmerkingen
Kan in het enkelvoud mannelijk of vrouwelijk zijn («der Verwandte» / «die Verwandte»); meervoud is meestal «die Verwandten». Deze ingang gebruikt de mannelijke lemma-vorm voor de verbuiging, maar vermeldt dat de vrouwelijke enkelvoudsvorm bestaat.