verb
vervangen
B1
ersetzen betekent „vervangen” of „substitueren”. Het is een regelmatig, zwak werkwoord, niet-scheidbaar en niet-wederkerend. Vaak met een lijdend voorwerp: jemanden/etwas ersetzen, of in de constructie etwas durch etwas ersetzen. Voltooid deelwoord: ersetzt; perfect met haben.
Voorbeelden
Die Techniker ersetzten das defekte Bauteil, damit die Maschine wieder funktionierte.
De technici vervingen het defecte onderdeel zodat de machine weer zou werken.
Er ersetzte das defekte Gerät.
Hij verving het defecte apparaat.
Ich ersetze das alte Teil.
Ik vervang het oude onderdeel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je het ene item door het andere vervangt met pijlen ertussen.
klinkt als ‘air-set-tzen’ — stel je voor dat je iets in de plaats zet van iets anders.
Opmerkingen
Meestal een transitief werkwoord: jemanden/etwas ersetzen (iets vervangen).