verb
omdraaien, omkeren, draaien
B1
umdrehen is een scheidbaar en regelmatig werkwoord. Het betekent iets omdraaien of omkeren; reflexief: sich umdrehen = zich omdraaien. Voltooid deelwoord: umgedreht. Heel gebruikelijk in het dagelijks leven, bv. een pan omdraaien.
Voorbeelden
Ich habe mich umgedreht.
Ik draaide me om.
Er drehte sich um, als er das Geräusch hörte.
Hij draaide zich om toen hij het geluid hoorde.
Ich drehe mich um.
Ik draai me om.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een pannenkoek omdraait: je draait hem met een snelle beweging om.
Denk aan «undo + drehen» — alsof je iets terug- of omdraait.
Opmerkingen
Een scheidbaar werkwoord. In hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel «um» af en komt het aan het einde te staan (ich drehe das Blatt um). Het voltooid deelwoord is umgedreht (ge komt tussen voorvoegsel en stam).