verb
omarmen, knuffelen
B1
umarmen betekent ‘omarmen’ of ‘iemand in de armen sluiten’. Het is een regelmatig, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord. In de voltooide tijd gebruikt het haben: hat umarmt. Je gebruikt het bij begroeten, troosten of genegenheid tonen. Imperatief: umarm! / umarmt!
Voorbeelden
Sie umarmte ihn fest.
Ze omhelsde hem stevig.
Er umarmte das Kind, um es zu trösten.
Hij omhelsde het kind om het te troosten.
Sie umarmte ihre Freundin zum Abschied.
Ze omhelsde haar vriendin als afscheid.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je je armen om iemand heen slaat als een warme deken.
Klinkt als «you mar men» — stel je voor dat je veel mannen knuffelt.
Opmerkingen
Een regelmatig transitief werkwoord dat letterlijk of figuurlijk omhelzen betekent. Wordt normaal niet wederkerend gebruikt.