verb
begeleiden, escorteren
B1
begleiten betekent ‘begeleiden’, ‘vergezellen’ of ‘escorteren’. Het is een zwak, niet-scheidbaar werkwoord met haben; voltooid deelwoord: begleitet. Het is transitief: jemanden begleiten. Je gebruikt het letterlijk of figuurlijk, bijvoorbeeld bij een reis of evenement.
Voorbeelden
Der Bürgermeister begleitete die Delegation, während die Journalisten Fotos machten und Fragen stellten.
De burgemeester vergezelde de delegatie terwijl de journalisten foto's maakten en vragen stelden.
Der Sicherheitsdienst begleitete den Gast zum Auto.
De beveiligingsdienst begeleidde de gast naar zijn auto.
Ich begleite meine Schwester jeden Morgen zur Schule.
Ik breng mijn zus elke ochtend naar school.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die naast elkaar lopen; de een ‘glijdt’ naast de ander en begeleidt die.
klinkt als ‘be-glijden’ — stel je voor dat je glijdt (gleiten) naast iemand om die te begeleiden.
Opmerkingen
begleiten is een transitief werkwoord (jemanden begleiten) en vormt de voltooide tijd meestal met haben: er hat mich begleitet.