verb
vastzitten, klem zitten
B1
stecken betekent ‘vastzitten’, ‘klem zitten’ of ‘ergens insteken’. Het is een zwak, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord; voltooid deelwoord: gesteckt. Perfekt met haben. Kan transitief of intransitief gebruikt worden, bv. stecken bleiben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Papier steckt im Drucker und verhindert den Druck.
Het papier zit vast in de printer en verhindert het afdrukken.
Der Techniker steckte das Kabel ein, weil das Gerät sonst nicht funktionierte.
De technicus sloot de kabel aan, omdat het apparaat anders niet had gewerkt.
Die Tür steckt fest, ich kann sie nicht öffnen.
De deur zit vast, ik kan hem niet openen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een vork voor die vastzit in een afvoer: hij zit vast, hij «steckt» daar.
Denk aan «stuck in» — stecken betekent vaak dat iets vastzit.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Betekenis 2 (intransitief): beschrijft dat iets vastzit of geblokkeerd is. Vaak gebruikt voor voorwerpen die niet vrij kunnen bewegen. | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.