verb
duwen, schuiven
B1
schieben betekent vooral „duwen”, „schuiven” of „verplaatsen”. Het is een sterk werkwoord: ich schiebe, Präteritum schob, voltooid deelwoord geschoben. In de voltooide tijden gebruikt het haben. Niet wederkerig en niet scheidbaar; meestal met een lijdend voorwerp.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich schiebe den Stuhl.
Ik duw de stoel.
Ich habe das Fahrrad geschoben.
Ik heb de fiets geduwd.
Ich schiebe das Fahrrad in die Garage.
Ik duw de fiets de garage in.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je twee mensen voor die samen een zware doos duwen: één zegt ‘Schieb!’ terwijl ze duwen
klinkt als ‘she been’ — stel je voor: ‘she been pushing the box’
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Schieben is een veelgebruikt transitief werkwoord dat betekent iets verplaatsen door kracht uit te oefenen. In samenstellingen (bijv. anschieben) kunnen voorvoegsels scheidbaar zijn.