verb
stappen, trappen, een schop geven
B1
treten is een sterk onregelmatig werkwoord: verleden tijd trat, voltooid deelwoord getreten. Het betekent ‘stappen’ en ook ‘trappen/schoppen’. Tegenwoordige tijd: du trittst, er tritt. Bij beweging zonder object gebruikt het perfect sein; met lijdend voorwerp hebben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Sie trat vorsichtig auf die nasse Treppe.
Ze zette voorzichtig haar voet op de natte trede.
Er trat auf die Bühne.
Hij stapte het podium op.
Ich trete auf die Bremse.
Ik trap op de rem.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je je voet door een 'treat' (treat -> treten) steekt terwijl je erop stapt — de voetactie helpt 'stappen' of 'trappen' onthouden
Klinkt als 'tread' in het Engels (treten -> tread)
N/A voor werkwoorden
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Treten kan zowel «stappen» (beweging) als «trappen» (krachtige actie) betekenen. In voltooide tijden kan het zowel met «sein» (voor intransitieve beweging: er ist ins Zimmer getreten) als met «haben» (voor transitieve actie: er hat den Ball getreten) voorkomen. Let op klinkerwisselingen in de tegenwoordige tijd (du trittst, er tritt) en in de Konjunktiv II (ich träte).