treten

verb
stappen, trappen, een schop geven
B1

treten is een sterk onregelmatig werkwoord: verleden tijd trat, voltooid deelwoord getreten. Het betekent ‘stappen’ en ook ‘trappen/schoppen’. Tegenwoordige tijd: du trittst, er tritt. Bij beweging zonder object gebruikt het perfect sein; met lijdend voorwerp hebben.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Sie trat vorsichtig auf die nasse Treppe.
Ze zette voorzichtig haar voet op de natte trede.
Er trat auf die Bühne.
Hij stapte het podium op.
Ich trete auf die Bremse.
Ik trap op de rem.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESPresent: e -> i in du/er (du trittst, er tritt). Preterite: e -> a (trat). Konjunktiv II: a -> ä (träte).

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es tritt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es trat
Perfekter/sie/es hat getreten / ist getreten

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je voor dat je je voet door een 'treat' (treat -> treten) steekt terwijl je erop stapt — de voetactie helpt 'stappen' of 'trappen' onthouden
👂Klinkt als 'tread' in het Engels (treten -> tread)
⚧️N/A voor werkwoorden

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Treten kan zowel «stappen» (beweging) als «trappen» (krachtige actie) betekenen. In voltooide tijden kan het zowel met «sein» (voor intransitieve beweging: er ist ins Zimmer getreten) als met «haben» (voor transitieve actie: er hat den Ball getreten) voorkomen. Let op klinkerwisselingen in de tegenwoordige tijd (du trittst, er tritt) en in de Konjunktiv II (ich träte).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichtrete
dutrittst
er/sie/estritt
wirtreten
ihrtretet
sie/Sietreten
ichwerde getreten
duwirst getreten
er/sie/eswird getreten
wirwerden getreten
ihrwerdet getreten
sie/Siewerden getreten
ichtrete
dutretest
er/sie/estrete
wirtreten
ihrtretet
sie/Sietreten
ichwerde getreten
duwerdest getreten
er/sie/eswerde getreten
wirwerden getreten
ihrwerdet getreten
sie/Siewerden getreten
ichträte
duträtest
er/sie/esträte
wirträten
ihrträtet
sie/Sieträten
ichwürde getreten
duwürdest getreten
er/sie/eswürde getreten
wirwürden getreten
ihrwürdet getreten
sie/Siewürden getreten
dutritt!
ihrtretet!
SieTreten!