noun
omgeving, omgevingstreek, omstreken
B1
Umgebung (v.) betekent ‘omgeving’, ‘omgeving/omstreken’ of ‘nabije omgeving’. Meervoud: Umgebungen. Genitief enkelvoud: der Umgebung. Veelgebruikte uitdrukkingen: in der Umgebung, in der Umgebung von ... Vaak gebruikt voor plaats en context.
Voorbeelden
Die Umgebung des Hotels ist ruhig und grün.
De omgeving van het hotel is rustig en groen.
Die Umgebung ist sehr schön.
De omgeving is erg mooi.
Wir müssen die Umwelt und die lokale Umgebung schützen.
We moeten het milieu en de lokale omgeving beschermen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een cirkel rond een huis voor die alles in de directe omgeving laat zien.
Denk aan ‘om + being’ — ‘het wezen om je heen’ = omgeving.
die -> stel je een ‘die’-bordje voor dat rond het gebied is gespeld (vrouwelijk lidwoord)
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt voor zowel de directe fysieke omgeving als een algemenere omgeving. Het enkelvoud is gebruikelijk; het meervoud «Umgebungen» bestaat maar komt minder vaak voor.