verb
omgaan met, zich redden met, omzeilen, vermijden
B1
umgehen heeft twee hoofdbetekenissen: ‘omgaan met’ iemand of iets, met mit + datief, en ‘omzeilen/vermijden’. Het is een scheidbaar sterk werkwoord: gehen → ging, voltooid deelwoord umgegangen. In het Perfekt met sein: ist umgegangen. Heel gebruikelijk.
Voorbeelden
Ich gehe mit Problemen um.
Ik ga om met problemen.
Sie geht sehr gut mit schwierigen Kunden um.
Ze gaat heel goed om met moeilijke klanten.
Ich habe gelernt, mit der Kritik umzugehen.
Ik heb geleerd om met kritiek om te gaan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je om een obstakel heen loopt en daarna rustig een moeilijk voorwerp hanteert.
Klinkt als «um» + «gehen» (rondgaan) — denk aan ergens omheen gaan of iets hanteren.
Opmerkingen
Dit werkwoord wordt vaak gebruikt in de scheidbare vorm «mit ... umgehen» in de betekenis van «omgaan met / hanteren». Afhankelijk van de context kan het ook «omzeilen / vermijden» betekenen (nog steeds geschreven als «umgehen»). In de voltooide tijd wordt vaak «sein» gebruikt (ist umgegangen).