noun
oever, wal, strand
B1
Ufer (het, meervoud: Ufer) betekent „oever” of „strand/kust”: de rand van een rivier, meer of zee. Genitief enkelvoud: des Ufers. Het meervoud is gelijk aan het enkelvoud. De context bepaalt de precieze betekenis.
Voorbeelden
Am Ufer des Sees sitzen viele Leute und picknicken.
Veel mensen zitten aan de oever van het meer en picknicken.
Wir gehen am Ufer spazieren.
We gaan wandelen langs de oever.
Das Ufer ist nach dem Regen sehr matschig.
De oever is na de regen erg modderig.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een oever van een meer voor met mensen die langs het Ufer zitten.
Klinkt als ‘oef-er’ — stel je voor dat je met een ‘oef’ op de oever stapt.
Das Ufer — onthoud dat het onzijdig is (das), vaak voor de oever van een rivier of meer.
Opmerkingen
Verwijst naar de rand van een waterlichaam (rivieroever, oever van een meer). De genitief enkelvoud krijgt meestal -s: des Ufers.