verb
aanspreken, toespreken, benaderen
B1
ansprechen is een scheidbaar en sterk werkwoord. Hoofdbetekenis: „iemand aanspreken” of „benaderen”; met auf + accusatief: „op iets reageren”. Tegenwoordige tijd: du sprichst an, er spricht an; verleden tijd: sprach an; voltooid deelwoord: angesprochen. Staat meestal met een lijdend voorwerp.
Voorbeelden
Das Thema hat mich angesprochen.
Het onderwerp sprak me aan.
Der Lehrer sprach das Problem an, damit die Schüler gemeinsam eine Lösung finden konnten.
De leraar bracht het probleem ter sprake, zodat de leerlingen samen een oplossing konden vinden.
Er sprach mich auf der Straße an.
Hij sprak me op straat aan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je naar iemand wijst en «an» + «sprechen» zegt — je richt je woorden op iemand.
Klinkt als «answer-speak» — je spreekt iemand direct aan.
Opmerkingen
Ansprechen is scheidbaar (sprichst an) en onregelmatig (sterk): Präteritum «sprach an», voltooid deelwoord «angesprochen». Kan betekenen «aanspreken» (tegen iemand praten) of «aanslaan / aanspreken» (Das spricht mich an).