verb
oversteken, doorkruisen
B1
überqueren is een regelmatig, niet-scheidbaar werkwoord en betekent ‘oversteken’ of ‘overbruggen’, bijvoorbeeld een straat, rivier of grens. Het vormt het perfekt met haben: hat überquert. Voltooid deelwoord: überquert. Veel gebruikt in routebeschrijvingen.
Voorbeelden
Wir überqueren jetzt die Straße.
We steken nu de straat over.
Sie überquerte den Fluss.
Zij stak de rivier over.
Ich habe die Grenze überquert.
Ik ben de grens overgestoken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand over (über) een lijn stapt die dwars (quer) over een weg is getekend.
Klinkt als «over-quer-en» — denk aan «over» + Duits «quer» (dwars).
Opmerkingen
Regelmatig zwak werkwoord. Het voorvoegsel «über-» is niet-scheidbaar. Gebruikt voor het oversteken van straten, rivieren, grenzen, enz.