verb
naderen, zich naderen
B1
nähern betekent ‘naderen, dichterbij komen’. Het wordt meestal reflexief gebruikt: sich nähern, met een datief, bv. sich dem Ziel nähern. Het is een zwak, niet-scheidbaar werkwoord met haben; voltooid deelwoord: genähert.
Voorbeelden
Er näherte sich dem Haus.
Hij naderde het huis.
Wir nähern uns dem Bahnhof.
We naderen het treinstation.
Die Boote näherten sich dem Hafen, nachdem der Nebel sich gelichtet hatte.
De boten naderden de haven nadat de mist was opgetrokken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die dichter naar elkaar toe bewegen totdat ze elkaar «nähern».
denk aan «near-hern» — dicht bij iemand komen.
Opmerkingen
Wordt vaak wederkerend gebruikt: sich nähern (naderen, dichterbij komen). Het kan in sommige contexten ook niet-wederkerend voorkomen, maar meestal is het wederkerend. | Passieve vormen zijn doorgaans niet van toepassing op wederkerende/intransitieve werkwoorden zoals «sich nähern».