verb
haasten, zich haasten
B1
eilen betekent „haasten” of „zich spoeden”. Het is meestal onovergankelijk; voor „zich haasten” gebruikt men vaak ook het reflexieve sich beeilen. In het perfectum neemt het sein: bin geeilt. Regelmatig zwak werkwoord, voltooid deelwoord geeilt, niet scheidbaar.
Voorbeelden
Er eilte zum Bahnhof, weil der Zug früher losfuhr.
Hij haastte zich naar het station omdat de trein eerder vertrok.
Wenn du eilst, pass auf den Verkehr auf.
Als je je haast, let dan op het verkeer.
Ich eile zur Arbeit, weil ich spät dran bin.
Ik haast me naar mijn werk omdat ik te laat ben.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die ‘ailing’ is en snel rent om een bus te halen
klinkt als «isle» — stel je voor dat je over een klein eiland rent
Opmerkingen
Het perfectum wordt vaak gevormd met « sein » wanneer het om snelle verplaatsing naar een plaats gaat (bijv. « Er ist zur Arbeit geeilt »). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.