verb
inhalen, voorbijgaan, passeren
B1
überholen betekent ‘inhalen’ of ‘voorbijgaan’ aan een voertuig, persoon of tegenstander. Het is een zwak, niet-wederkerig en niet-scheidbaar werkwoord. Hulpwerkwoord: haben; voltooid deelwoord: überholt. Ook figuurlijk: ‘overtreffen’.
Voorbeelden
Ich überhole das Auto.
Ik haal de auto in.
Der Lkw fuhr langsam, also wollte das Auto ihn überholen.
De vrachtwagen reed langzaam, dus wilde de auto hem inhalen.
Das Auto überholte den Lkw, obwohl die Straße kurvig war, weshalb ein Polizist das Fahrzeug später anhielt.
De auto haalde de vrachtwagen in, hoewel de weg bochtig was, daarom hield een politieagent het voertuig later aan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto voor die op de snelweg een andere inhaalt, met een banner ‘über’ terwijl hij voorbijgaat.
Klinkt als ‘over-Holland’ — stel je een auto voor die zo snel inhaalt dat hij over Nederland lijkt te rijden.
Opmerkingen
überholen is een scheidbaar-onscheidbaar werkwoord? Nee: het is onscheidbaar (über- blijft vast). Het wordt vaak gebruikt in verkeerssituaties; ook figuurlijk (iemand overtreffen).