verb
lenen, uitlenen
A2
Leihen betekent ‘uitlenen’ en in wederkerige vorm ‘lenen’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met haben als hulpwerkwoord. Tegenwoordige tijd: du leihst, er leiht; verleden tijd: lieh; voltooid deelwoord: geliehen. Niet scheidbaar en veelgebruikt in het dagelijks leven.
Voorbeelden
Er lieh mir sein Fahrrad.
Hij leende mij zijn fiets.
Ich habe mir ein Auto von ihm geliehen.
Ik heb een auto van hem geleend.
Der Kollege lieh dem Studenten das Buch, weil der Student es dringend brauchte.
De collega leende het boek aan de student, omdat de student het dringend nodig had.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een boek over een tafel heen geeft — het woord «lei-hen» met het boek in het midden.
Klinkt als Engels «lie» + «hen» — stel je een kip voor die een ei uitleent.
Opmerkingen
Het Duitse «leihen» kan afhankelijk van de context zowel «lenen» als «uitlenen» betekenen. Voor duidelijkheid wordt vaak «ausleihen» gebruikt, en synoniemen zoals «verleihen» leggen het perspectief van de uitlener nadruk.