verb
laten, toestaan, achterlaten
A2
lassen is een veelgebruikt werkwoord met vooral de betekenissen ‘laten’, ‘toestaan’ en ‘laten doen’ (causatief: lassen + infinitief). Het is sterk en onregelmatig: Präteritum ließ, voltooid deelwoord gelassen. In het presens: du lässt. Met haben.
Voorbeelden
Kannst du das Buch dort liegen lassen?
Kun je het boek daar laten liggen?
Die Eltern ließen das Kind draußen spielen, obwohl es bald zu regnen begann.
De ouders lieten het kind buiten spelen, hoewel het al snel begon te regenen.
Ich habe mein Handy zu Hause gelassen.
Ik heb mijn telefoon thuis gelaten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een persoon doorlaat en zegt: «Lass zu!»
klinkt als «last in» — iets laten blijven
Opmerkingen
Lassen is een veelzijdig werkwoord dat wordt gebruikt in causatieve constructies (lassen + infinitief) en om ‘laten’ of ‘toestaan’ te betekenen. Het heeft een onregelmatige stamklinker in de tegenwoordige tijd (du lässt).