verb
uitwisselen, ruilen
A2
austauschen betekent ‘uitwisselen’, ‘omruilen’ of ‘vervangen’. Het is een scheidbaar en zwak werkwoord: ich tausche aus, hat ausgetauscht. Het is niet wederkerig. Je gebruikt het voor voorwerpen, onderdelen, informatie en ook voor ideeën: sich mit jemandem austauschen.
Voorbeelden
Wir tauschen die Telefonnummern aus.
We wisselen telefoonnummers uit.
Ich tausche die Batterien aus.
Ik vervang de batterijen.
Wir haben uns ausgetauscht.
We hebben ideeën uitgewisseld.
Details
Ezelsbruggetjes
Twee mensen geven elkaar voorwerpen terwijl het voorvoegsel ‘aus’ naar het einde verhuist
klinkt als ‘out-swap’ (swap out)
Opmerkingen
Scheidbaar zwak werkwoord. Het perfectum gebruikt «haben» (wir haben ausgetauscht). Wordt vaak gebruikt voor het uitwisselen van voorwerpen, informatie of meningen.