ausgeben

verb
uitgeven, uitdelen, verstrekken
A2

ausgeben is een scheidbaar werkwoord. Het betekent vooral ‘geld uitgeven’, maar ook ‘uitdelen’ of ‘verstrekken’. In het perfectum gebruikt het haben: hat ausgegeben. Sterk werkwoord met klinkerwisseling e→i in de tegenwoordige tijd: du gibst, er gibt.

Voorbeelden

Die Lehrerin gibt die Prüfungen am Ende der Stunde aus.
De lerares deelt de toetsen uit aan het einde van de les.
Ich gebe viel Geld aus.
Ik geef veel geld uit.
Die Familie gab viel Geld für Reparaturen aus, weil das Auto plötzlich liegen blieb.
Het gezin gaf veel geld uit aan reparaties, omdat de auto plotseling pech kreeg.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent: e → i in 2nd/3rd sg (du gibst, er gibt). Simple past stem 'gab-'. Past participle 'ausgegeben'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es gibt aus
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es gab aus
Perfekter/sie/es hat ausgegeben

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je briefjes uit je zak haalt en ze uitdeelt — je geeft geld ‘naar buiten’.
👂Denk aan « out-give » → « give out ». « Aus » = « out » en « geben » = « give ».

Opmerkingen

Ausgeben is een scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel « aus » naar het einde (ich gebe das Geld aus). Het betekent meestal « geld uitgeven » of « uitdelen / verstrekken ». Verleden tijd: ich gab aus; voltooid deelwoord: ausgegeben (met hulpwerkwoord « haben »). Het werkwoord komt van geben, dus het heeft dezelfde klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (ich gebe, du gibst, er gibt).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichgebe aus
dugibst aus
er/sie/esgibt aus
wirgeben aus
ihrgebt aus
sie/Siegeben aus
ichwerde ausgegeben
duwirst ausgegeben
er/sie/eswird ausgegeben
wirwerden ausgegeben
ihrwerdet ausgegeben
sie/Siewerden ausgegeben
ichgebe aus
dugebest aus
er/sie/esgebe aus
wirgeben aus
ihrgebet aus
sie/Siegeben aus
ichwerde ausgegeben
duwerdest ausgegeben
er/sie/eswerde ausgegeben
wirwerden ausgegeben
ihrwerdet ausgegeben
sie/Siewerden ausgegeben
ichgäbe aus
dugäbest aus
er/sie/esgäbe aus
wirgäben aus
ihrgäbet aus
sie/Siegäben aus
ichwürde ausgegeben werden
duwürdest ausgegeben werden
er/sie/eswürde ausgegeben werden
wirwürden ausgegeben werden
ihrwürdet ausgegeben werden
sie/Siewürden ausgegeben werden
duGib aus!
ihrGebt aus!
SieGeben aus!