verb
uitgeven, uitdelen, verstrekken
A2
ausgeben is een scheidbaar werkwoord. Het betekent vooral ‘geld uitgeven’, maar ook ‘uitdelen’ of ‘verstrekken’. In het perfectum gebruikt het haben: hat ausgegeben. Sterk werkwoord met klinkerwisseling e→i in de tegenwoordige tijd: du gibst, er gibt.
Voorbeelden
Die Lehrerin gibt die Prüfungen am Ende der Stunde aus.
De lerares deelt de toetsen uit aan het einde van de les.
Ich gebe viel Geld aus.
Ik geef veel geld uit.
Die Familie gab viel Geld für Reparaturen aus, weil das Auto plötzlich liegen blieb.
Het gezin gaf veel geld uit aan reparaties, omdat de auto plotseling pech kreeg.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je briefjes uit je zak haalt en ze uitdeelt — je geeft geld ‘naar buiten’.
Denk aan « out-give » → « give out ». « Aus » = « out » en « geben » = « give ».
Opmerkingen
Ausgeben is een scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel « aus » naar het einde (ich gebe das Geld aus). Het betekent meestal « geld uitgeven » of « uitdelen / verstrekken ». Verleden tijd: ich gab aus; voltooid deelwoord: ausgegeben (met hulpwerkwoord « haben »). Het werkwoord komt van geben, dus het heeft dezelfde klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (ich gebe, du gibst, er gibt).