noun
vaderland, thuisland, geboortegrond
A1
Heimat (v.) betekent ‘vaderland’, ‘streek van herkomst’ of een plek waarmee je je emotioneel verbonden voelt. Meervoud: Heimaten, maar dat is zeldzaam. Het woord heeft vaak een sterke emotionele lading en verwijst naar afkomst en verbondenheid.
Voorbeelden
Als die Familie in die Heimat zurückkehrte, fanden die Kinder, dass viele Straßen neu waren.
Toen het gezin terugkeerde naar het vaderland, vonden de kinderen dat veel straten nieuw waren.
Viele Menschen fühlen eine starke Bindung an ihre Heimat.
Veel mensen voelen een sterke band met hun vaderland.
Meine Heimat ist ein kleines Dorf in den Bergen.
Mijn thuisland is een klein dorp in de bergen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je het landschap van je jeugd voor wanneer je ‘Heimat’ zegt.
Klinkt een beetje als ‘home-mate’ — denk aan een plek waarmee je verbonden bent.
die = vrouwelijk: stel je een troostrijke ‘zij’ als thuis/plek voor.
Opmerkingen
« Heimat » drukt vaak emotionele of culturele verbondenheid uit en wordt soms alleen in het enkelvoud gebruikt.