verb
beginnen, aanvangen
A1
anfangen is een scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘beginnen’. Voorbeelden: ich fange an, fang an! Hulpwerkwoord: haben. Sterk/onregelmatig: Präteritum fing, voltooid deelwoord angefangen. Vaak met mit: mit etwas anfangen = met iets beginnen.
Voorbeelden
Der Unterricht fängt um acht Uhr an.
De les begint om acht uur.
Es fängt gleich an.
Het begint zo meteen.
Eva hat angefangen zu arbeiten.
Eva is begonnen met werken.
Details
Ezelsbruggetjes
een startpistool met het woord ‘ANFANG’ op een spandoek
klinkt als ‘and-fang’ — stel je voor dat iemand een tand vastpakt om te beginnen
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: ich fange an. Klinkerverandering in de tegenwoordige tijd (a -> ä) voor du/er-vormen en in het Präteritum (fing). Gebruikt haben in de voltooide tijden. | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.