verb
mogen, toestemming hebben, zijn toegestaan
A1
dürfen is een modaal werkwoord en betekent ‘mogen’, ‘toegestaan zijn’ of ‘het recht hebben om’. In de tegenwoordige tijd is er een klinkerwisseling: ich darf, du darfst, er darf. Verleden tijd: durfte. Voltooid deelwoord: gedurft.
Voorbeelden
Darf ich heute früher gehen?
Mag ik vandaag eerder weggaan?
Ich durfte das nicht.
Ik mocht dat niet doen.
Du darfst hier nicht rauchen.
Je mag hier niet roken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een groen verkeerslicht voor dat betekent: ‘je mag gaan’ telkens wanneer je dürfen ziet.
Klinkt als ‘doer-fen’ — denk aan een ‘doer’ die mag handelen.
n.v.t.
Opmerkingen
Modaal werkwoord dat toestemming uitdrukt. Verbuigt onregelmatig in de tegenwoordige tijd (ich darf, du darfst). In voltooide tijden gebruikt het haben (gedurft). Passieve constructies zijn marginaal/zeldzaam en worden doorgaans niet gebruikt met modale werkwoorden zoals «dürfen» (persoonlijke passiefvormen zijn niet van toepassing). Gebiedende wijs-vormen zijn ongebruikelijk; de vormen voor «du» en formeel «Sie» worden doorgaans niet gebruikt. Daarom zijn verschillende passiefblokken en bepaalde conjunctief/präteritum-blokken in de vervoegingstabel als niet van toepassing gemarkeerd.