verb
vastleggen, bepalen, vaststellen
B1
festlegen betekent ‘vastleggen’, ‘bepalen’ of ‘instellen’. Het is een scheidbaar, niet-reflexief en regelmatig werkwoord: voltooid deelwoord festgelegt, perfectum met haben. Vaak gebruikt voor data, regels en parameters.
Voorbeelden
Die Regeln wurden klar festgelegt, damit es keine Verwirrung gibt.
De regels werden duidelijk vastgesteld, zodat er geen verwarring zou zijn.
Der Vorstand legte das Datum fest, weil der Termin für alle Abteilungen wichtig war.
De raad van bestuur stelde de datum vast, omdat de afspraak belangrijk was voor alle afdelingen.
Wir legen den Termin fest.
We leggen de afspraak vast.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een briefje met „SET” op een datum in de kalender speldt om die vast te zetten.
Klinkt als „fast” + „lay” (fast-lay = snel neerleggen).
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel „fest” zich af en gaat het naar het einde (ich lege fest), maar in infinitief, voltooid deelwoord en bijzinnen blijft het vast (festlegen, festgelegt).