adjective
stevig, vast, vastgezet
B1
Bijvoeglijk naamwoord: fest betekent ‘stevig’, ‘vast’ of ‘solide’. Het wordt normaal verbogen en kan worden vergeleken: fester, am festesten. Het kan ook bijwoordelijk gebruikt worden, bv. fest sitzen. Veelgebruikte tegenstellingen zijn locker en flüssig.
Voorbeelden
Der Boden hier ist fest und stabil.
De grond hier is stevig en stabiel.
Der Stuhl ist sehr fest.
De stoel is erg stevig.
Der Termin steht fest, er kann nicht mehr geändert werden.
De afspraak staat vast, hij kan niet meer worden gewijzigd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een knoop voor die zo strak is vastgemaakt dat hij niet loskomt.
Klinkt een beetje als het Engelse ‘fast’ — denk aan iets dat stevig/vast wordt gehouden.
Bijvoeglijke naamwoorden hebben zelf geen geslacht; koppel ze aan zelfstandige naamwoorden zoals ‘der feste Stuhl’.
Opmerkingen
Gebruikt voor zowel fysieke stevigheid (festes Material) als voor vaste/besliste situaties (ein fester Termin). Het is trapbaar (fester, am festesten).