verb
vaststellen, bepalen, afspreken
B1
festsetzen is een scheidbaar werkwoord en betekent ‘vaststellen’, ‘bepalen’ of ‘fixeren’, bijvoorbeeld een datum, prijs of regel. In juridische context kan het ook ‘aanhouden’ betekenen. Het is een zwak werkwoord met haben; voltooid deelwoord: festgesetzt. In vervoegde vormen scheidt fest- zich af.
Voorbeelden
Der Termin ist festgesetzt.
De afspraak is vastgelegd.
Das Gericht setzte die Geldstrafe fest, weil das Vergehen eindeutig bewiesen worden war.
De rechtbank stelde de boete vast omdat het vergrijp onomstotelijk was bewezen.
Sie setzten den Termin fest.
Ze hebben de afspraak vastgelegd.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een stevige „VASTGESTELD”-stempel op een kalender om een deadline vast te zetten.
klinkt als „fast” + „sets” (fast-sets = zet snel vast)
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord. Kan „vaststellen” of „bepalen” betekenen (bijv. een datum of boete). In hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel zich af (ich setze fest).