faulenzen

verb
lummelen, lui zijn, nietsdoen
B1

faulenzen is een informeel, niet-reflexief en onovergankelijk werkwoord met de betekenis „luilakken”, „lanterfanten” of „niks doen”. Het vormt het perfectum met haben: ich habe gefaulenzt. Vaak heeft het een negatieve bijklank en verwijst het naar passief nietsdoen.

Voorbeelden

Er hat im Urlaub gefaulenzt.
Hij heeft tijdens de vakantie geluierd.
Am Sonntag faulenzen wir den ganzen Nachmittag.
Op zondag luieren we de hele middag.
Die Studenten faulenzten den ganzen Sonntag, obwohl sie für die Prüfung lernen sollten.
De studenten hebben de hele zondag zitten luieren, hoewel ze voor het examen hadden moeten leren.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es faulenzt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es faulenzte
Perfekter/sie/es hat gefaulenzt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die de hele middag lui op de bank ligt.
👂Klinkt als ‘foul’ + ‘lenz’ — stel je voor dat je luiert alsof iets vies je naar beneden houdt.
⚧️N/A

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing (geen lijdend voorwerp om passief te maken). Gebruikt ‘haben’ als hulpwerkwoord in de voltooide tijden. Konjunktiv I Präteritum: niet van toepassing — Konjunktiv I wordt gevormd uit de tegenwoordige tijd en het verleden wordt meestal omschrijvend uitgedrukt (Perfekt).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfaulenze
dufaulenzt
er/sie/esfaulenzt
wirfaulenzen
ihrfaulenzt
sie/Siefaulenzen
ichfaulenze
dufaulenzest
er/sie/esfaulenze
wirfaulenzen
ihrfaulenzet
sie/Siefaulenzen
ichfaulenzte
dufaulenztest
er/sie/esfaulenzte
wirfaulenzten
ihrfaulenztet
sie/Siefaulenzten
dufaulenze
ihrfaulenzt
Siefaulenzen