verb
lummelen, lui zijn, nietsdoen
B1
faulenzen is een informeel, niet-reflexief en onovergankelijk werkwoord met de betekenis „luilakken”, „lanterfanten” of „niks doen”. Het vormt het perfectum met haben: ich habe gefaulenzt. Vaak heeft het een negatieve bijklank en verwijst het naar passief nietsdoen.
Voorbeelden
Er hat im Urlaub gefaulenzt.
Hij heeft tijdens de vakantie geluierd.
Am Sonntag faulenzen wir den ganzen Nachmittag.
Op zondag luieren we de hele middag.
Die Studenten faulenzten den ganzen Sonntag, obwohl sie für die Prüfung lernen sollten.
De studenten hebben de hele zondag zitten luieren, hoewel ze voor het examen hadden moeten leren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die de hele middag lui op de bank ligt.
Klinkt als ‘foul’ + ‘lenz’ — stel je voor dat je luiert alsof iets vies je naar beneden houdt.
N/A
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing (geen lijdend voorwerp om passief te maken). Gebruikt ‘haben’ als hulpwerkwoord in de voltooide tijden. Konjunktiv I Präteritum: niet van toepassing — Konjunktiv I wordt gevormd uit de tegenwoordige tijd en het verleden wordt meestal omschrijvend uitgedrukt (Perfekt).