zelten

verb
kamperen
B1

zelten betekent ‘kamperen’ of ‘in een tent overnachten’, dus buiten slapen. Het is een regelmatig zwak werkwoord: zeltete, voltooid deelwoord gezeltet. Het gebruikt haben, is niet scheidbaar en niet wederkerig. Vaak in vrijetijdscontexten.

Voorbeelden

Ich habe noch nie gezeltet.
Ik heb nog nooit gekampeerd.
Wir zelten jedes Jahr am See.
We gaan elk jaar kamperen bij het meer.
Wir zelten im Sommer.
Wij kamperen in de zomer.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es zeltet
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es zeltete
Perfekter/sie/es hat gezeltet

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je een tent (Zelt) opzet en dat het werkwoord «zelten» is wat je daarmee doet.
👂Klinkt als «zel-ten» — denk aan «Zelt» (tent).

Opmerkingen

Een regelmatig zwak werkwoord. Het voltooid deelwoord is «gezeltet» en het Präteritum is «zeltete». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. Vormen van Konjunktiv I Präteritum worden niet gebruikt; eventuele Konjunktiv I präteritum-invoer is gemarkeerd als «niet van toepassing».

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichzelte
duzeltst
er/sie/eszeltet
wirzelten
ihrzeltet
sie/Siezelten
ichzelte
duzeltest
er/sie/eszelte
wirzelten
ihrzeltet
sie/Siezelten
ichzeltete
duzeltetest
er/sie/eszeltete
wirzelteten
ihrzeltetet
sie/Siezelteten
duzelt!
ihrzeltet!
Siezelten!