verb
kamperen
B1
zelten betekent ‘kamperen’ of ‘in een tent overnachten’, dus buiten slapen. Het is een regelmatig zwak werkwoord: zeltete, voltooid deelwoord gezeltet. Het gebruikt haben, is niet scheidbaar en niet wederkerig. Vaak in vrijetijdscontexten.
Voorbeelden
Ich habe noch nie gezeltet.
Ik heb nog nooit gekampeerd.
Wir zelten jedes Jahr am See.
We gaan elk jaar kamperen bij het meer.
Wir zelten im Sommer.
Wij kamperen in de zomer.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een tent (Zelt) opzet en dat het werkwoord «zelten» is wat je daarmee doet.
Klinkt als «zel-ten» — denk aan «Zelt» (tent).
Opmerkingen
Een regelmatig zwak werkwoord. Het voltooid deelwoord is «gezeltet» en het Präteritum is «zeltete». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. Vormen van Konjunktiv I Präteritum worden niet gebruikt; eventuele Konjunktiv I präteritum-invoer is gemarkeerd als «niet van toepassing».