noun
fauteuil, leunstoel, gemakkelijke stoel
B1
Fauteuil is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „fauteuil” of een comfortabele, gestoffeerde stoel. Meervoud: Fauteuils, met -s zoals bij veel leenwoorden. Afkomstig uit het Frans; vaak gebruikt in meubel- en wat formelere contexten.
Voorbeelden
Die Großmutter setzte sich in den Fauteuil, obwohl der Sessel etwas unbequem war.
De grootmoeder ging in de fauteuil zitten, hoewel de stoel wat oncomfortabel was.
Der alte Fauteuil ist sehr bequem.
De oude fauteuil is erg comfortabel.
Er setzte sich in den alten Fauteuil und las die Zeitung.
Hij ging in de oude fauteuil zitten en las de krant.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een elegante, zachte fauteuil voor in een woonkamer.
Klinkt als het Franse „fauteuil” — denk aan een chique stoel.
Der Fauteuil — onthoud „der” (mannelijk). Koppel het stevige geluid van „der” aan de solide stoel.
Opmerkingen
„Fauteuil” is een leenwoord uit het Frans en wordt in het Duits vaak gebruikt voor een elegante gestoffeerde armstoel; meervoudsvormen kunnen variëren (Fauteuils is gebruikelijk).