verb
gaan wandelen, wandelen
B1
spazieren gehen betekent „een wandeling maken” of „gaan wandelen”. Deze werkwoordelijke combinatie is niet wederkerig en niet scheidbaar. Perfectum: ist spazieren gegangen. Het gaat meestal om rustig wandelen, zonder vaste prepositie.
Voorbeelden
Ich bin am Strand spazieren gegangen.
Ik heb op het strand gewandeld.
Er geht jeden Morgen eine Stunde spazieren.
Hij maakt elke ochtend een wandeling van een uur.
Die Eltern gingen am Nachmittag spazieren, obwohl das Wetter schlechter wurde, und sie bemerkten, dass der Hund müde war.
De ouders gingen 's middags wandelen, hoewel het weer slechter werd, en ze merkten dat de hond moe was.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die uit een spa stapt en door het park wandelt — ‘spazieren gehen’ = een ontspannende wandeling maken.
Denk aan ‘spa-TSIER-en’ — ‘spa’ roept ontspanning op, dus wandelen voor het plezier.
Opmerkingen
Een veelvoorkomend tweedelig werkwoord met de betekenis een wandeling maken. Het wordt vervoegd met de finiete vorm van ‘gehen’ plus ‘spazieren’. Gebruikt ‘sein’ als hulpwerkwoord in de voltooide tijden (bijv. ‘bin spazieren gegangen’). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.