verb
grijpen, vastpakken, vatten
B1
fassen betekent vooral ‘grijpen’, ‘vastpakken’ of ‘pakken’; figuurlijk ook ‘begrijpen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfectum: habe gefasst. Niet scheidbaar. De wederkerige vorm sich fassen betekent ‘zich herpakken’ of ‘tot rust komen’. Vaak met een lijdend voorwerp in de accusatief.
Voorbeelden
Ich fasse endlich den Sinn dieses Satzes.
Ik begrijp eindelijk de betekenis van deze zin.
Er fasste den Text kurz zusammen.
Hij vatte de tekst kort samen.
Ich fasse den Plan zusammen.
Ik vat het plan samen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een voorwerp met je hand vastpakt — je vingers „fassen” het.
Klinkt als het Engelse „fasten” — stel je voor dat je iets „grijpt” of „vasthoudt” om het vast te maken.
N/A