faul

adjective
lui, rot
A2

faul is een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘lui’ bij personen en ‘rot/bedorven’ bij voedsel. Vergelijking: fauler; overtreffende trap: am faulsten. Tegenovergestelde: fleißig. Je gebruikt het attributief en predicatief: ein fauler Schüler, die Frucht ist faul.

Voorbeelden

Die Frucht ist faul, wir müssen sie wegwerfen.
De vrucht is rot, we moeten hem weggooien.
Mein Bruder ist oft faul und macht seine Arbeit nicht.
Mijn broer is vaak lui en doet zijn werk niet.
Der Student war faul, sodass die Professorin ihn im Seminar stärker forderte.
De student was lui, zodat de professor hem in het seminar strenger uitdaagde.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapfauler
Overschrijvende trapam faulsten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die op een bank ligt (lui); een appel met bruine plekken (rot).
👂Denk aan ‘foul’ (iets slechts) -> rot; en ook aan ‘fault’ als luiheid.

Opmerkingen

Bijvoeglijk naamwoord met twee hoofdbetekenissen: iemand beschrijven die lui is, of eten dat rot/bedorven is.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek