fahren

verb
rijden, gaan met een voertuig
A1

fahren betekent „rijden”, „gaan met een voertuig” of „autorijden”. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling a → ä: du fährst, er fährt. In de voltooide tijden gebruikt het meestal sein bij beweging, maar soms ook haben. Niet wederkerig en niet scheidbaar.

Voorbeelden

Ich fahre mit dem Auto zur Arbeit.
Ik ga met de auto naar mijn werk.
Er fuhr nach Hause.
Hij reed naar huis.
Die Familie fuhr mit dem Zug, weil das Auto in der Werkstatt stand.
Het gezin reisde met de trein, omdat de auto in de garage stond.

Details

ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingena → ä in du/er/sie/es (du fährst, er fährt)

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es fährt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es fuhr
Perfekter/sie/es ist gefahren / hat gefahren

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een auto voor die over een weg rijdt.
👂Klinkt als ‘far-hen’ — stel je voor dat je ver met een voertuig gaat.
⚧️n/a

Opmerkingen

Sterk (onregelmatig) werkwoord: klinkerverandering a → ä in de vormen du/er. In de voltooide tijden kan zowel «sein» (intransitieve beweging) als «haben» (transitief gebruik) worden gebruikt.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfahre
dufährst
er/sie/esfährt
wirfahren
ihrfahrt
sie/Siefahren
ichwerde gefahren
duwirst gefahren
er/sie/eswird gefahren
wirwerden gefahren
ihrwerdet gefahren
sie/Siewerden gefahren
ichfahre
dufahrest
er/sie/esfahre
wirfahren
ihrfahret
sie/Siefahren
ichwerde gefahren
duwerdest gefahren
er/sie/eswerde gefahren
wirwerden gefahren
ihrwerdet gefahren
sie/Siewerden gefahren
ichführe
duführest
er/sie/esführe
wirführen
ihrführet
sie/Sieführen
ichwürde gefahren
duwürdest gefahren
er/sie/eswürde gefahren
wirwürden gefahren
ihrwürdet gefahren
sie/Siewürden gefahren
duFahr!
ihrFahrt!
SieFahren!