verb
rijden, gaan met een voertuig
A1
fahren betekent „rijden”, „gaan met een voertuig” of „autorijden”. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling a → ä: du fährst, er fährt. In de voltooide tijden gebruikt het meestal sein bij beweging, maar soms ook haben. Niet wederkerig en niet scheidbaar.
Voorbeelden
Ich fahre mit dem Auto zur Arbeit.
Ik ga met de auto naar mijn werk.
Er fuhr nach Hause.
Hij reed naar huis.
Die Familie fuhr mit dem Zug, weil das Auto in der Werkstatt stand.
Het gezin reisde met de trein, omdat de auto in de garage stond.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto voor die over een weg rijdt.
Klinkt als ‘far-hen’ — stel je voor dat je ver met een voertuig gaat.
n/a
Opmerkingen
Sterk (onregelmatig) werkwoord: klinkerverandering a → ä in de vormen du/er. In de voltooide tijden kan zowel «sein» (intransitieve beweging) als «haben» (transitief gebruik) worden gebruikt.