noun
kaartje, reisbiljet, ticket
A1
Fahrkarte is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Fahrkarte, meervoud die Fahrkarten. Betekent een vervoersbewijs of ticket voor trein, bus of tram. Veelgebruikte werkwoorden: Fahrkarte kaufen, entwerten, vorzeigen. Heel gangbaar in het openbaar vervoer.
Voorbeelden
Der Passagier kaufte eine Fahrkarte, damit er ohne Probleme weiterreisen konnte.
De passagier kocht een kaartje zodat hij zonder problemen verder kon reizen.
Bitte zeigen Sie Ihre Fahrkarte beim Einsteigen.
Laat alstublieft uw ticket zien bij het instappen.
Ich habe eine Fahrkarte für den Zug gekauft.
Ik heb een treinkaartje gekocht.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein kaartje voor met 'Fahrkarte' erop gedrukt
denk aan 'fare-card' — een kaart om het tarief te betalen
die (vrouwelijk) — stel je een roze kaartje voor met 'die Fahrkarte' erop
Opmerkingen
Wordt meestal gebruikt voor trein-, bus- en tramkaartjes.