Fahrkarte

noun
kaartje, reisbiljet, ticket
A1

Fahrkarte is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Fahrkarte, meervoud die Fahrkarten. Betekent een vervoersbewijs of ticket voor trein, bus of tram. Veelgebruikte werkwoorden: Fahrkarte kaufen, entwerten, vorzeigen. Heel gangbaar in het openbaar vervoer.

Voorbeelden

Der Passagier kaufte eine Fahrkarte, damit er ohne Probleme weiterreisen konnte.
De passagier kocht een kaartje zodat hij zonder problemen verder kon reizen.
Bitte zeigen Sie Ihre Fahrkarte beim Einsteigen.
Laat alstublieft uw ticket zien bij het instappen.
Ich habe eine Fahrkarte für den Zug gekauft.
Ik heb een treinkaartje gekocht.

Details

MeervoudFahrkarten

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedie Fahrkartedie Fahrkarten
genitiveder Fahrkarteder Fahrkarten
dativeder Fahrkarteden Fahrkarten
accusativedie Fahrkartedie Fahrkarten

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een klein kaartje voor met 'Fahrkarte' erop gedrukt
👂denk aan 'fare-card' — een kaart om het tarief te betalen
⚧️die (vrouwelijk) — stel je een roze kaartje voor met 'die Fahrkarte' erop

Opmerkingen

Wordt meestal gebruikt voor trein-, bus- en tramkaartjes.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek