warten

verb
wachten
A1

warten betekent „wachten”. Het staat vaak met auf + accusatief: auf jemanden/etwas warten. Het is een zwak/regelmatig werkwoord en vormt het perfect met haben: ich habe gewartet. Niet wederkerig. Heel gebruikelijk.

Voorbeelden

Er wartete lange auf den Zug.
Hij heeft lang op de trein gewacht.
Die Kunden warteten lange, weil die Lieferung verspätet eingetroffen war.
De klanten wachtten lang, omdat de levering te laat was aangekomen.
Ich warte auf den Bus.
Ik wacht op de bus.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wartet
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wartete
Perfekter/sie/es hat gewartet

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je bij een bushalte staat te wachten.
👂warten ~ «wart» (iemand op wacht) om wachten te onthouden.

Opmerkingen

Warten is transitief met auf (warten auf) wanneer men op iemand/iets wacht. Persoonlijk passief is niet standaard; onpersoonlijk passief («Es wurde lange gewartet») kan voorkomen. | Persoonlijke passiefvormen zijn niet van toepassing; alleen onpersoonlijke «es»-vormen worden gebruikt.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichwarte
duwartest
er/sie/eswartet
wirwarten
ihrwartet
sie/Siewarten
ichwarte
duwartest
er/sie/eswarte
wirwarten
ihrwartet
sie/Siewarten
ichwürde warten
duwürdest warten
er/sie/eswürde warten
wirwürden warten
ihrwürdet warten
sie/Siewürden warten
duwarte
ihrwartet
SieWarten