verb
wachten
A1
warten betekent „wachten”. Het staat vaak met auf + accusatief: auf jemanden/etwas warten. Het is een zwak/regelmatig werkwoord en vormt het perfect met haben: ich habe gewartet. Niet wederkerig. Heel gebruikelijk.
Voorbeelden
Er wartete lange auf den Zug.
Hij heeft lang op de trein gewacht.
Die Kunden warteten lange, weil die Lieferung verspätet eingetroffen war.
De klanten wachtten lang, omdat de levering te laat was aangekomen.
Ich warte auf den Bus.
Ik wacht op de bus.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je bij een bushalte staat te wachten.
warten ~ «wart» (iemand op wacht) om wachten te onthouden.
Opmerkingen
Warten is transitief met auf (warten auf) wanneer men op iemand/iets wacht. Persoonlijk passief is niet standaard; onpersoonlijk passief («Es wurde lange gewartet») kan voorkomen. | Persoonlijke passiefvormen zijn niet van toepassing; alleen onpersoonlijke «es»-vormen worden gebruikt.