noun
vaardigheid, bekwaamheid, capaciteit
B1
Fähigkeit is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘vaardigheid’, ‘bekwaamheid’ of ‘capaciteit’. Meervoud: Fähigkeiten. Veelgebruikte constructies zijn Fähigkeit, etwas zu tun en Fähigkeit zu + infinitief. Het woord gaat over talenten, vaardigheden en professionele competenties.
Voorbeelden
Sie hat die Fähigkeit, andere Menschen zu motivieren.
Zij heeft het vermogen om andere mensen te motiveren.
Sie hat die Fähigkeit, schnell zu lernen.
Zij heeft het vermogen om snel te leren.
Der Trainer förderte die Fähigkeit der Spieler, damit sie im nächsten Spiel bessere Leistungen zeigen konnten.
De trainer bevorderde het vermogen van de spelers, zodat ze in de volgende wedstrijd betere prestaties konden leveren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vlieger (–keit) voor die slimme trucjes doet om iemands vaardigheid te tonen.
Klinkt een beetje als «fey-hie-kaait» — stel je een vlieger voor die trucjes doet om «vaardigheid» te onthouden.
Vrouwelijk (die): stel je een vrouw (die) voor die een certificaat krijgt voor haar vaardigheid.
Opmerkingen
Meervoud: Fähigkeiten. Niet verwarren met «Fähre» (veerboot). Wordt vaak gebruikt in formele en alledaagse contexten om bekwaamheid of capaciteit te beschrijven.