verb
ervaren, meemaken, beleven
B1
erleben is een regelmatig werkwoord met de betekenis ‘ervaren’, ‘meemaken’ of ‘doorleven’. Het vormt het perfectum met haben en het voltooid deelwoord is erlebt. Je gebruikt het voor gebeurtenissen, avonturen en persoonlijke ervaringen: ein Abenteuer erleben.
Voorbeelden
Sie erlebte eine Überraschung.
Ze kreeg een verrassing.
Die Touristen erlebten den Sturm, als das Schiff in einen sicheren Hafen segelte.
De toeristen maakten de storm mee toen het schip naar een veilige haven voer.
Auf der Reise habe ich viele neue Kulturen erlebt.
Tijdens de reis heb ik veel nieuwe culturen ervaren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een indrukwekkend evenement bekijkt en het diep voelt — die persoon ‘erlebt’ het.
Klinkt als ‘air-leven’ — letterlijk iets ‘doorleven’.
Opmerkingen
Een transitief werkwoord dat betekent iets ervaren of getuige zijn van iets. Wordt vaak gebruikt met een lijdend voorwerp (etwas erleben) of bijwoordelijke bepalingen die gebeurtenissen of emoties aangeven.