verb
herstellen, uitrusten, opknappen
B1
erholen betekent vooral „uitrusten” en meestal „herstellen” of „op krachten komen”. Het wordt doorgaans wederkerend gebruikt: sich erholen. Regelmatig zwak werkwoord, niet-scheidbaar; voltooid deelwoord erholt, perfect met haben. Vaak bij ziekte, vakantie en herstel.
Voorbeelden
Sie hat sich gut erholt.
Ze is goed hersteld.
Ich erhole mich im Urlaub.
Ik kom tot rust op vakantie.
Am Wochenende erhole ich mich gerne im Garten.
In het weekend rust ik graag uit in de tuin.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die in een hangmat ligt en langzaam beter wordt — daar ‘erholen’ ze.
Klinkt als ‘a-HAW-len’ — denk aan een ‘aha!’-gevoel wanneer je je beter voelt: erholen.
Opmerkingen
Wordt vaak wederkerend gebruikt (sich erholen). Betekent herstellen (gezondheid) of uitrusten. Gebruikt het hulpwerkwoord ‘haben’ in de voltooide tijden: ‘hat sich erholt’. Passieve vormen zijn niet van toepassing, omdat het werkwoord onovergankelijk/wederkerend is en geen normaal passief vormt.