ausfallen

verb
afgelast worden, uitvallen, blijken
B1

ausfallen is een scheidbaar werkwoord met meerdere betekenissen: ‘niet doorgaan/afgelast worden’, ‘uitvallen’ of ‘blijken te zijn’. Het is sterk en onregelmatig met klinkerverandering a → ä (du fällst, er fällt). In de voltooide tijd gebruikt het sein: ich bin ausgefallen. Intransitief.

Voorbeelden

Der Unterricht fiel aus, weil der Lehrer plötzlich erkrankte, sodass die Schüler nach Hause geschickt wurden.
De lessen werden afgelast omdat de leraar plotseling ziek werd, waardoor de leerlingen naar huis werden gestuurd.
Der Zug fiel gestern aus.
De trein viel gisteren uit.
Das alte Radio fällt oft aus, wenn es zu heiß wird.
De oude radio valt vaak uit als het te heet wordt.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent: a -> ä in du/er (du fällst, er fällt); Präteritum: fiel; Partizip II: ausgefallen

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es fällt aus
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es fiel aus
Perfekter/sie/es ist ausgefallen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een rij gloeilampen voor; één voor één „vallen” ze uit (gaan uit) — het evenement of apparaat stopt, dus het is afgelast of kapot.
👂klinkt een beetje als „house-fall-in” — stel je iets voor dat uit het huis valt (het gebeurt niet meer).

Opmerkingen

ausfallen is een scheidbaar, onovergankelijk werkwoord dat vaak met het hulpwerkwoord „sein” wordt gebruikt in voltooide tijden (bijv. „ist ausgefallen”). Veelgebruikte betekenissen: evenementen die worden afgelast, apparaten die uitvallen/stukgaan, en resultaten (blijken). Let op: als scheidbaar werkwoord scheidt het voorvoegsel „aus” in hoofdzin (bijv. „Das Radio fällt aus”). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfalle aus
dufällst aus
er/sie/esfällt aus
wirfallen aus
ihrfallt aus
sie/Siefallen aus
ichfalle aus
dufallest aus
er/sie/esfalle aus
wirfallen aus
ihrfallet aus
sie/Siefallen aus
ichfiele aus
dufielest aus
er/sie/esfiele aus
wirfielen aus
ihrfielet aus
sie/Siefielen aus
dufall aus
ihrfallt aus
Siefallen aus