verb
toestaan, veroorloven, vergunning geven
A1
„erlauben” betekent „toestaan” of „vergunnen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord en vormt het perfect met haben: hat erlaubt. Veelgebruikte constructie: jemandem etwas erlauben, met de persoon in de datief en het toegestane in de accusatief. Niet wederkerig en niet scheidbaar.
Voorbeelden
Die Polizei erlaubte dem Fahrer, auf die andere Straßenseite zu fahren.
De politie stond de bestuurder toe om naar de andere kant van de straat te gaan.
Der Lehrer erlaubte den Schülern, zu spielen.
De leraar stond de leerlingen toe om te spelen.
Ich habe es dir erlaubt.
Ik heb het je toegestaan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een bewaker voor die een slagboom optilt (toegang toestaat) en 'erlauben' zegt terwijl hij mensen doorlaat.
Klinkt als 'air-luh-buhn' — denk aan 'air' + 'lube' + 'bun' om het ritme van 'erlauben' te onthouden.
Opmerkingen
Veelvoorkomende synoniemen: 'gestatten' en 'zulassen'. 'Erlauben' is een transitief werkwoord en krijgt bij het uitdrukken van toestemming een meewerkend voorwerp in de datief (jemandem etwas erlauben). In lijdende vormen gebruik je 'erlaubt werden' (bijv. 'Mir wird erlaubt ...').