verb
zich bevinden, zich bevinden op, zich voelen, bevinden, oordelen, vaststellen
B1
Sterk werkwoord: sich befinden betekent „zich bevinden, zich ergens bevinden” of „zich in een toestand bevinden”. Zonder sich kan het in formele taal ook „vaststellen / oordelen” betekenen. Hulwerkwoord haben; verleden tijd befand. Veel in officiële taal.
Voorbeelden
Wir befanden uns in der Stadt.
We waren in de stad.
Das Gericht befand den Angeklagten für schuldig.
De rechtbank verklaarde de verdachte schuldig.
Ich befinde mich in Berlin.
Ik ben in Berlijn.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kaartmarkering voor met het label BEFINDEN die aangeeft waar iets zich bevindt.
Denk aan „be-find” — vinden waar iets is (plaats of toestand).
Opmerkingen
Befinden wordt vaak wederkerend gebruikt (sich befinden) om een plaats of toestand aan te geven. Het kan ook niet-wederkerend of transitief worden gebruikt in juridische/ambtelijke contexten (bijv. „das Gericht befand ...”).