verb
beïnvloeden, invloed uitoefenen op, aantasten
B1
Regelmatig werkwoord: beeinflussen betekent „beïnvloeden, invloed uitoefenen op”. Het is transitief: je beïnvloedt iemand, een beslissing of een mening. Voor oorzaak of bron gebruikt men vaak durch of von. Hulwerkwoord haben; voltooid deelwoord beeinflusst.
Voorbeelden
Das schlechte Wetter beeinflusst meine Stimmung.
Het slechte weer beïnvloedt mijn stemming.
Seine Meinung beeinflusste die Entscheidung.
Zijn mening beïnvloedde de beslissing.
Er versuchte, die Entscheidung der Firma zu beeinflussen.
Hij probeerde de beslissing van het bedrijf te beïnvloeden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een rij dominostenen voor waarbij één kleine duw de rest laat vallen; het voorvoegsel «be-» omvat de hele keten.
Klinkt als «be in fluence» — denk aan «be in» + «fluence» (invloed).
Opmerkingen
Het voorvoegsel be- is onscheidbaar en krijgt geen klemtoon; gebruik «beeinflussen» zowel voor directe invloed als voor indirecte effecten. In voltooide tijden is het hulpwerkwoord «haben».