wachsen

verb
groeien, toenemen, aangroeien
B1

wachsen betekent ‘groeien’ of ‘toenemen’ (bij planten, mensen, cijfers, prijzen). Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: a→ä in de tegenwoordige tijd (du/er wächst), verleden tijd wuchs, voltooid deelwoord gewachsen. In het perfectum met sein: ich bin gewachsen. Meestal onovergankelijk.

Voorbeelden

Die Zahlen in diesem Bericht wachsen jedes Jahr.
De cijfers in dit rapport nemen elk jaar toe.
Die Kinder wachsen so schnell.
De kinderen groeien zo snel.
Der Baum wuchs schnell.
De boom groeide snel.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingena -> ä in present (du/er wächst); a -> u in Präteritum (ich wuchs)

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wächst
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es wuchs
Perfekter/sie/es ist gewachsen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een plant voor die opkomt en elke dag groter wordt als je aan wachsen denkt.
👂Klinkt als «vox-en» — stel je een stem (vox) voor die groter wordt om «groeien» te onthouden.

Opmerkingen

wachsen is een onovergankelijk werkwoord dat in voltooide tijden meestal met «sein» wordt gebruikt (ist gewachsen). Het is onregelmatig (sterk) met stamveranderingen in meerdere tijden. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De vormen van Konjunktiv I Präteritum worden hier niet gegeven omdat ze vrijwel ongebruikt/zeldzaam zijn; gemarkeerd als «niet van toepassing».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichwachse
duwächst
er/sie/eswächst
wirwachsen
ihrwachst
sie/Siewachsen
ichwachse
duwachse
er/sie/eswachse
wirwachsen
ihrwachset
sie/Siewachsen
ichwüchse
duwüchstest
er/sie/eswüchse
wirwüchsen
ihrwücht
sie/Siewüchsen
duwachse
ihrwachst
Siewachsen