verb
groeien, toenemen, aangroeien
B1
wachsen betekent ‘groeien’ of ‘toenemen’ (bij planten, mensen, cijfers, prijzen). Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: a→ä in de tegenwoordige tijd (du/er wächst), verleden tijd wuchs, voltooid deelwoord gewachsen. In het perfectum met sein: ich bin gewachsen. Meestal onovergankelijk.
Voorbeelden
Die Zahlen in diesem Bericht wachsen jedes Jahr.
De cijfers in dit rapport nemen elk jaar toe.
Die Kinder wachsen so schnell.
De kinderen groeien zo snel.
Der Baum wuchs schnell.
De boom groeide snel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een plant voor die opkomt en elke dag groter wordt als je aan wachsen denkt.
Klinkt als «vox-en» — stel je een stem (vox) voor die groter wordt om «groeien» te onthouden.
Opmerkingen
wachsen is een onovergankelijk werkwoord dat in voltooide tijden meestal met «sein» wordt gebruikt (ist gewachsen). Het is onregelmatig (sterk) met stamveranderingen in meerdere tijden. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing. De vormen van Konjunktiv I Präteritum worden hier niet gegeven omdat ze vrijwel ongebruikt/zeldzaam zijn; gemarkeerd als «niet van toepassing».