verb
schaden, benadelen
B1
schaden betekent ‘schaden’, ‘nadeel toebrengen’ of ‘beschadigen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: Partizip II geschadet, perfect met haben. Niet wederkerend. Vaak met datief: jemandem schaden. Veel gebruikt in algemene, medische en juridische context.
Voorbeelden
Der Sturm hat dem Haus geschadet.
De storm heeft het huis beschadigd.
Rauchen schadet der Gesundheit.
Roken is schadelijk voor je gezondheid.
Obwohl der Regen stark war, schadete er der Ernte nicht, weil die Felder gut entwässert worden waren.
Hoewel de regen hevig was, beschadigde hij de oogst niet omdat de velden goed waren gedraineerd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een barst voor die zich door glas verspreidt — elke barst «schadet» de integriteit.
klinkt als «shady» — als iets shady is, kan het je plannen schaden.
N/A
Opmerkingen
Neemt de datief voor de persoon die schade ondervindt: «Das schadet mir.» Zwak (regelmatig) werkwoord. Wordt vaker gebruikt in onpersoonlijke constructies of met abstracte schade. | Het werkwoord vormt meestal geen passief; passieve vormen zijn niet van toepassing.